Uit optekeningen van de Chinese oudheid (tot 2000 jaar voor onze jaartelling) blijkt dat elk keizerlijk vertoon gepaard ging met begeleiding van hobo en trom.
Deze traditie groeide uit tot een ware hobo-explosie in de Aziatische wereld. Hobo en percussie, al dan niet in combinatie met zang waren de belangrijkste ingrediënten van de Oosterse hofmuziek. Dit had uiteraard ook zijn weerslag op de religieuze muziek en volksmuziek. Zoals hier fanfares ontstonden, werden in China hobo-orkesten opgericht. Deze traditie is in Noordoost China nog erg levendig.
De grote bloeiperiode voor de hobo tijdens de Franse Barok, aan het hof van Louis XIV,
is voor het Westen de enige vergelijkbare periode geweest. Naar Frans voorbeeld gaf de Engelse koning George V in 1748 de opdracht aan G.F. Händel om een muziek voor de vrede te schrijven. Het werd uiteindelijk de befaamde ” Music for the Royal Fireworks“ voor 24 hobo’s, 12 fagotten versterkt met 9 hoorns, 9 trompetten en uitgebreid slagwerk.
Met zijn reusachtige hoboklas van de muziekacademie van Lier wilde Dirk Proost in 2001 een link leggen met de Oosterse traditie en zo een uniek project in het Westen lanceren, namelijk een orkest van allemaal rietblazers, allemaal leerlingen en oud-leerlingen, aangevuld met vrienden professionele hoboïsten/fagottisten en hun leerlingen.
De fagottisten komen hoofdzakelijk uit de klas van Francis Pollet en de percussionisten
werden opgeleid door Peter Ploegaerts ( beide eveneens verbonden aan de academie van Lier).Ondertussen wordt het orkest gesteund door de hoboklas van Ingrid Van Geel en de fagotklas van Elvire Shabon, beiden verbonden aan het Stedelijk Muziekconservatorium
van Mechelen. Griet Jochems, sinds dit jaar ook leerkracht hobo in Lier is concertmeester
en neemt de regie voor haar rekening. Ook al haar leerlingen maken deel uit van het orkest
(uit de muziekacademies van Lier, Heist o/d Berg en Hamme.).Bas Matthyssens, hoboleraar
in de muziekacademies van Turnhout en Wuustwezel is eveneens een vaste kracht geworden.
Van bij het begin ging het ORM zijn eigen weg en kon niet geplaatst worden tussen de traditionele schoolorkesten.
Ten eerste omwille van zijn eigenaardige en unieke bezetting. In gans het westen is er geen equivalent te vinden. In de volksmuziek heb je natuurlijk de fenomenen zoals de Bagad in Bretagne of de pipers van Schotland. Met dit grote verschil dat deze ensembles de volksmuziek vertegenwoordigen met enkele kleine uitzonderingen waar een greep gedaan wordt uit de Renaissance- of Barokliteratuur.
Het ORM tracht alle stijlen uit de Klassieke muziek te verklanken met een klein accent op nieuwe partituren en af en toe een knipoog naar traditionals.
Maar het grote verschilpunt is de integratie van de beginnende muzikant: We plaatsen genomineerde solisten naast de kleintjes die nog maar enkele noten beheersen. Al naargelang de muzikale noden worden hiervoor speciale instrumenten geconcipieerd (bv. bubbelhobo, bamboehobo). De artistieke en aparte kracht die hiervan uitgaat, wordt steeds opnieuw opgemerkt en bewonderd.
De oorsprong van deze formule is tweevoudig:
Ten eerste geloven we in de pure artistieke expressie van beginners in combinatie met
professionals. En ten tweede is er uiteraard de pedagogische drijfveer: er bestaat geen enkele manier in de didactiek waarmee men zo sterk het vuur van musiceren kan doorgeven.